Fragment

Elfen van het Heldere Licht
Het was stil in het bos. Het enige dat je kon horen, was het zachte tikken van de regendruppels op de bladeren. Aardedonker was het. Op de open plek zag je geen hand voor je ogen! Maar voor de dieren was dat niet erg, want dieren kunnen heel goed in het donker zien.
Iedereen had zich verzameld rondom de weide in het bos. Normaal gesproken sliepen de meeste dieren, maar nu waren ze allemaal klaarwakker, omdat de Elfen van het Heldere Licht strakjes zouden neerdalen. Een bijzondere gebeurtenis die nog nooit eerder was voorgekomen. Wanneer de maan éventjes tevoorschijn kwam, zouden de Elfen op een manestraal naar beneden glijden met miljoenen tegelijk.


De Elfen van het Heldere Licht kwamen van een heel ver sterrenstelsel dat Amore heette. Alle dieren waren van hun komst op de hoogte gesteld door de uil, die het nieuws gehoord had van de groene wezens. Dat waren de bomen, struiken en planten. Die hadden het weer vernomen van de wind en deze was geïnformeerd door een manestraal. Zo kwam het dat alle dieren van het bos zich rondom de weide verzameld hadden. Niemand wilde de komst van de Elfen missen. Muisstil en een beetje gespannen zaten ze bij elkaar. Niemand had een idee wat er precies zou gebeuren en hoe de Elfen eruit zagen. De dieren en de groene wezens voelden zich zeer vereerd, dat hún bos met hún open plek was uitverkoren als aankomstplek van de Elfen.

Eindelijk. Na lang wachten was het zover. Eén manestraal doorkliefde de donkere nacht. Een zacht geklingel werd hoorbaar en zwol aan tot een welluidende melodie. Een gouden muziekstuk met de schoonste klanken leek mee te komen met de manestraal. Miljoenen kleine lichtdruppeltjes dartelden naar beneden. Het was maar goed dat de dieren zulke scherpe ogen hadden, want anders hadden ze niet kunnen zien, dat deze druppels kleine Elfen waren.

Bange Ik en de kluizenaar
De kluizenaar leefde op een hoge berg, middenin de natuur. Helemaal alleen woonde hij daar, met een paar kippen en geiten. Hij verbouwde zijn eigen groente. Niets en niemand had hij nodig. Bidden deed hij veel en mediteren ook. Soms zat hij in de boeken te studeren, want hij voelde zich een geleerde man, die kluizenaar. Van heinde en verre kwamen de mensen bij hem voor raad en hij kon hen vaak helpen.
Op een dag kwam ook Bange Ik aankloppen. Deze vertelde de kluizenaar over zijn angsten. Dat hij vaak als klein jongetje heel erg bang was geweest en die angst nu nog had.

Hij was bang voor het donker, hij was bang voor boze mannen, hij was bang voor zijn moeder, hij was bang voor zijn familie, hij was bang voor de stilte, hij was bang voor de dood, hij was bang voor God en hij was ook bang voor de duivel. Eigenlijk was hij altijd en overal bang voor, dat was altijd zo geweest en nu was dat nog steeds zo.
De kluizenaar liet Bange Ik binnen.

'Dat is een lastig probleem,' zei de kluizenaar. 'Ik weet niet of ik je kan helpen, maar ik ga het proberen. Heb je al eens gemediteerd?'

'Nee,' zei Bange Ik. 'Daar ben ik bang voor, voor mediteren.'
'O, dat is jammer,' antwoordde de kluizenaar. 'Heb je wel eens een belangrijk boek gelezen over angsten? Dat zal vast en zeker helpen.'
'Nee, daar ben ik bang voor, voor boeken over angsten. Dan word ik nóg banger.'
'O, dat is jammer. Ben je wel eens bij een andere raadgever geweest en heb je onderzocht waar al je angsten vandaan komen?'
'Ja, dat heb ik al eens gedaan, maar het heeft niets geholpen. Ik ben nog steeds bang.'
'Waar ben je dan op het ogenblik bang voor?'
'Nou, voor alles eigenlijk. Het is als een slang in mij die naar boven kruipt en me helemaal vult met angst.' Terwijl Bange Ik dat zei, zat hij helemaal te trillen.

 

Winkelwagen

De winkelwagen is leeg